|
Het ’Amsterdams’: hoogtepunten en die ene onvergetelijke misser
Was ik er bij in 1988? Dacht het wel. Natuurlijk was ik er bij toen het Amsterdams Kleinkunst Festival in première ging. Hoewel, geen idee, wat het zou worden… De vraag was wat de initiatiefnemers eigenlijk voor ogen stond. Het leek een kansloze zaak, eerlijk gezegd. Immers, Nederland telde minstens twee gerenommeerde cabaretconcoursen. Het Leids Cabaret Festival was er voor het engagement en het befaamde Cameretten van Delft – later verhuisd naar Rotterdam – bood deelnemers een wat breder perspectief, argwanend bekeken door Wim Ibo in wie de meesten ’de vader van het cabaret’ erkenden. Ik weet nog hoe boos hij was, jaren later, toen de jury van de Scheveningen Cabaret Prijs (op dat moment de enige nationale prijs voor bedrijvers van cabaret) het genre zo universeel beoordeelde dat Karel de Rooy en Peter de Jong in de creaties van Mini & Maxi gelauwerd werden als winnaars. Ibo was razend. ”Woordloos cabaret bestaat niet,” zei hij. Het hielp niet. In het rapport stond dat hun humor geen flauwekul was, maar wel degelijk in de parafrases en de parodie een kritische visie afleverde. Dit terzijde. ’Amsterdam’ en met name de bebrilde initiatiefnemer, theatermaker Evert de Vries, creëerde een gat voor een sprong in het diepe met als motto dat dit festival heel specifiek creativiteit aan wilde boren. Hoe? Door af te zien van beperkingen en de wedstrijd niet als zaligmakend te beschouwen. Een uitstekend idee dat alle kans bood er iets méér van te maken door onderscheidend te zijn en dingen toe te voegen die elders niet werden gedaan. Dat werd verankerd in de naamgeving – concours om de Wim Sonneveld‑prijs. Voor Nederland betekende de figuur Wim Sonneveld álles wat je kon bedenken aan fantasie, ruimte en diepte. Hij was cabaretier, een gloedvol chansonnier, entertainer en typeur en heeft gedurende zijn indrukwekkende en veelzijdige carrière grenzen opgezocht. In het tweede jaar, ’89, mocht ik als presentator optreden. Plaats van handeling was de gewichtige Stadsschouwburg, niet bepaald een cabaretesk bouwwerk, maar toch. Het had allure en je moet ergens beginnen om een festival verder te brengen dan de introductie. Als ik me goed herinner won Kiki Heessels en was Ank Groot van Don Quishocking een van de juryleden. De contouren van de groei tekenden zich in dat jaar reeds af, want er werd een speciaal programma gemaakt als Hommage aan Wim Sonneveld. Optredens waren er van Heddy Lester, Harold Veenstra, Wim Ibo, Friso Wiegersma, Albert Mol, Ina van Faassen en de groep Heren op Zicht, de formatie rond Evert de Vries. Voor het merendeel grote namen, maar van essentiële betekenis was dat het festival weggesleurd werd uit de sfeer van een leuke competitie van solisten en groepen van wie niet te voorspellen viel of we verder ooit nog iets van hen zouden vernemen. De speciale programma’s vielen steeds meer op, net als de hommages, de boeken over het vak en de lezingen, de praktijkavonden met instructie en info, de themaprogramma’s, de Avonden van het Nieuwe Lied, de diversiteit van de gastoptredens, de forumdiscussies en de aandacht voor het nog vrijwel onbekende fenomeen Comedytrain (1991). Hetgeen in 2004 zelfs leidde tot een nieuw item, het Stand up comedy concours. Daarnaast hebben de avonden voor dialecten en de blokken voor troubadours, plezierdichters en vertolkers van de café chantant sfeer het Amsterdams Kleinkunst Festival letterlijk als festival een unieke reputatie verschaft. En natuurlijk was er de vondst om de Annie M.G. Schmidt‑prijs in te stellen voor het cabaretlied van het jaar. De eerste keer gebeurde dit in ’92 voor het beste lied van 1991. De trofee ging naar Harrie Jekkers en Koos Meinderts voor Terug bij af. Nationaal trok de prijs zeer de aandacht. Geen krant kon het zich permitteren er niets aan te doen, televisie en radioprogramma’s stonden op de stoep, elke staatssecretaris die het moest maken kwam de prijs uitreiken en mevrouw Schmidt was aanwezig zolang ze ertoe in staat was. Hoewel, er gebeurde iets raars. In 1994 werd de prijs voor ’93 niet toegekend, want de jury van voorzitter Thom van der Goot, met Harry Bannink, Henk van Gelder, Willem Nijholt en Michel van der Plas als leden, kwam er niet uit. Dat veroorzaakte uiteraard plezierige opschudding. In ’95 ’scoorde’ het AKF wederom opnieuw door aandacht te schenken aan Honderd jaar Cabaret in Nederland in de gedaante van een overzichtsprogramma van een eeuw kleinkunst repertoire. En het kon niet missen. Wim Ibo (in 1998 geëerd met een hommage) kwam vertellen over de pioniers, Frank Verhallen belichtte het literaire cabaret en Patrick van den Hanenberg registreerde wat de televisie met het verschijnsel deed. Hoogtepunten van historische betekenis? Een greep. Heel vers, uit 2003: het theatraal concert In de schaduw van Brel met Rob van de Meeberg en Vera Mann, bekroond met twee John Kraaijkamp Musical Awards. Dan waren er Oh, Johnny, een theaterprogramma als theatraal levenslied over Johnny Jordaan (hoofdrol Rob van de Meeberg) en Ken Kan over het leven en het werk van Wim Kan, eveneens uitgevoerd door Rob van de Meeberg (in ’95) en goed voor een tournee reprise in 2006. Niemand zal vergeten hoe belangrijk het was dat Bram Vermeulen in 1995 voor Een doodgewone jongen de Annie M.G. Schmidt‑prijs 1994 in ontvangst nam op een huiveringwekkend mooie middag. En om te besluiten: er zit ook een geweldige misser in de categorie markante ijkpunten. In 1997 waren er vier deelnemers tijdens het concours om de Wim Sonneveld‑prijs, maar geen van hen mocht winnen. De kandidaten waren Dirk Vruggink, Johan Hoogeboom, Kees Meerman en Wortel 25. Ze naderden de eindronde, maar bleven steken, alle vier. Dat lag aan Joop Koopman, Thom van der Goot, Bob Zimmerman, Brigitte van Gool en Gerrie van der Klei die als jury opereerden. Zij vonden dat het niveau onvoldoende was en niet representatief voor de geschiedenis van het festival. Kortom, er kwam helemaal geen finale en dus ook geen winnaar. Het hete Nieuwe de la Mar kookte en loeide, barstte uit kwetsbare voegen. Als het publiek het voor ’t zeggen had gehad, zou de spitsvondige tekstdichter Johan Hoogeboom aan zijn vleugel het concours hebben gewonnen en Jack Spijkerman wilde daar best even werk van maken. Hij diende zich aan als leider van een massaal protest. Het haalde niets uit, er gebeurde niets dat voor de annalen telde. Door het pand schalde hoon voor de jury die het zo ver niet had mogen laten komen, vond men. De organisatoren waren niet blij, maar alles gaat voorbij. In 1998 was er gewoon weer een concours, plus een winnende club: de heren Rooyakkers, Kamps & Kamps.
|